Hoe breng je de last van het verleden in beeld?
Annaleen Louwes, fotograaf, beeldend kunstenaar en docent aan de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten, onderzoekt dit in haar recente fotoboek es gibt keine sahne, es gibt krieg. Hierin voert ze een dialoog met haar van oorsprong Duitse moeder over oorlogsverleden, herinnering en schaamte. Hoe tekende dat Duits zijn de ervaringen en gevoelens van moeder en dochter in het naoorlogse Nederland? Deze subtiele studie is de neerslag van een zoektocht en was onderdeel van een gelijknamige tentoonstelling in 2025 in Amsterdam. Het boek past in een reeks van werk waarin Annaleen mensen met een bijzonder verhaal portretteert: bewoners van psychiatrische instellingen of een strafinrichting of een buurman. Peter Romijn sprak met haar naar aanleiding van haar optreden in FOTODOK’s BOOKTALKS op 25 februari 2026 in TivoliVredenburg, Utrecht.
PETER: Als historicus sloeg ik direct aan op je onderwerp. Ik hield me lang bezig met de impact van de Tweede Wereldoorlog op mensen en de samenleving. Ik heb zodoende ook gewerkt met kinderen van NSB’ers die meer wilden weten over hun ouders, want die hadden meestal gezwegen over het oorlogsverleden. Mensen van de tweede generatie waren vaak bang dat die ouders bloed aan hun handen hadden of Joden hadden verraden. Ik werd getroffen hun langdurige schaamte. Klopt het dat schaamte ook in jouw boek centraal staat?
ANNALEEN: Ik ben juist niet opgegroeid met zwijgen uit schaamte. Mijn moeder heeft nooit stilgehouden dat ze Duits was, het was nooit een probleem in onze familie. Toen de oorlog uitbrak was ze pas zeven jaar. Ze ging die dag een kannetje room halen maar de melkboer stuurde haar weg: ‘er is geen room, het is oorlog’. Na de oorlog zag ze in de bioscoop dat er in een concentratiekamp lampenkappen van mensenhuid waren gemaakt. Dat heeft haar zo geschokt, dat ze zich vanaf dat moment schaamde voor wat er gebeurd was, voor wat Duitsers hadden aangericht. Het is niet zo dat ze daarom naar het buitenland is vertrokken. Of misschien indirect, want ze heeft mijn vader niet lang na de oorlog ontmoet bij een uitwisseling van jongeren, ze werden verliefd en trouwden.

Pas toen ik aan dit project ging werken heeft mijn moeder tegen me gezegd dat ze zich echt geschaamd heeft. Dat wist ik helemaal niet, maar ik zag dat nu het moment was gekomen om die geschiedenis terug te vinden waar we vroeger wat omheen liepen. We zijn toen met de camper op onderzoek uit gegaan, naar Oost-Pruisen en al die oude plaatsen uit de familiegeschiedenis. Ook zagen we de film Werk ohne Autor, geïnspireerd op het leven van beeldend kunstenaar Gerhard Richter. Daarin kwam het zogenaamde ‘T4-programma’ ter sprake, waarin de Nazi’s systematisch invaliden en geesteszieken vermoordden.
PETER: Wat deed die film met jullie?
ANNALEEN: Na het zien van de film herinnerde mijn moeder zich opeens dat er ook in haar familie slachtoffers waren gemaakt. Ze kwam erachter dat twee neven van mijn grootmoeder vermoedelijk vanwege hun homoseksualiteit waren omgebracht. Dat werd in die tijd als schizofrenie bestempeld. Omdat ik ook queer ben dacht ik ‘wow, ik heb een onderwerp te pakken!’
We hebben een aantal psychiatrische inrichtingen bezocht die onderdeel van dat systeem waren. Ik ben er begonnen te fotograferen, die muren in mijn boek, dat zijn de gaskamers daar. De twee neven hadden nog een broer en die was een nazi-marine arts die ook fotografeerde. Er is van hun één familiefoto bewaard, want die broer heeft alle andere waar zijn broers opstonden uit de familiealbums weggehaald. Uit schaamte, denk ik.
Op de lagere school zeiden de kinderen ook tegen me dat mijn moeder een mof was. […] Ik heb haar natuurlijk altijd verdedigd, maar tegelijkertijd dat Duitse weggeduwd.
PETER: Maar je onderzoek is toch een andere kant op gegaan?
ANNALEEN: Er kwam eigenlijk een ander verhaal boven, veel directer tussen mijn moeder en mij. Kijk, zij is als ‘mof’ weggezet toen ze naar Nederland kwam. Op de lagere school zeiden de kinderen ook tegen me dat mijn moeder een mof was. Ik zat op de middelbare school tussen veel kinderen uit Joodse families. Ik heb haar natuurlijk altijd verdedigd, maar tegelijkertijd dat Duitse weggeduwd.
Nu dacht ik een onderwerp te hebben, de queerness van die vermoorde neven. We hadden zogenaamd óók pijn in de familie. Maar toen realiseerde ik me dat het eigenlijk meer om mijn eigen schaamte ging. Ik duwde mijn moeder in feite weer weg. Ik zie het eigenlijk als een valse start. De schaamte was nog steeds heel groot. En opeens begreep ik dat het project eigenlijk moest draaien om de dialoog tussen ons beiden. Heb ik me misschien meer geschaamd dan mijn moeder? Ik kwam erachter dat ik eigenlijk probeerde mijn eigen pijn of schaamte wit te wassen.
PETER: Voelden je moeder en jij een verschillend soort schaamte, ook al deelden jullie emoties over iets moeilijks uit het verleden wat op jullie allebei doorwerkte?
ANNALEEN: Omdat ik al vroeg zag en voelde dat ze werd buitengesloten heb ik mijn gevoelens en gedachten vaak op haar geprojecteerd en aangenomen dat we hetzelfde voelden. Als ze ‘s avonds klassieke muziek aan had staan dacht ik dat ze droevig was – wat helemaal niet zo was. Toen ik haar daar ooit naar vroeg zij ze dat ze dan juist heel gelukkig was. Ik projecteerde mijn zorg gevoelens op haar. In mijn herinnering was mijn moeder slachtoffer, maar zij herinnerde zich het verleden heel anders.
Heb ik me misschien meer geschaamd dan mijn moeder?
PETER: In je boek zie ik een driehoek van verleden, identiteit en schaamte. Het zijn prachtige beelden, maar het is een gecompliceerde vertelling. Ik moest ze stuk voor stuk op me in laten werken om het verhaal te kunnen interpreteren. Bedoel je het ook zo?
ANNALEEN: Het hele project begon als een tentoonstelling. Na vier jaar rondreizen en onderzoek doen zocht ik een plek om het project te laten landen. Dat werd Bradwolff Projects dat zijn locatie heeft in de snijzaal van het oude Burgerziekenhuis in Amsterdam.

In de tentoonstelling daar kon ik experimenteren met beelden en objecten, zoals de stapel brieven en modellen van oude oorlogsschepen. Dat gaat allemaal over geschiedenis, maar het is tastbaar en kan mensen aan het denken zetten. Er was audio te horen met het Duitse slaapliedje dat mijn moeder altijd voor me zong. Het bleek een oud militair liedje. Haar moeder had het ook voor haar gezongen en zo werd het over de generaties doorgegeven.
Ik had een uniek zelf-gebonden boek in het centrum van de expositie gelegd. Het was eerst niet mijn bedoeling om er een oplage van te maken, maar toen de tentoonstelling liep wilde veel mensen het boek hebben. Blijkbaar werkte het, ik heb er 150 gemaakt, ze zijn uitverkocht en deze maand verschijnt de tweede druk.

PETER: Het is dus een boek geworden, met documenten, herinneringen, eigen foto’s. Je hebt ook bladzijden leeggelaten. Wil je daarmee suggereren dat we niet alles kunnen weten en dingen zelf moeten invullen? We zien dat je moeder je voorlas uit de sprookjes van Grimm. Ik dacht ook aan het beeld van de broodkruimels van Hans en Grietje, die de weg door het bos wijzen.
ANNALEEN: De kruimels, als je het zo bekijkt, zijn de teksten en die bestaan uit flarden herinneringen van mijn moeder en mijn associaties. Er zijn van die verhalen die altijd in haar hoofd zaten – en die ook een draai aan het verleden konden gaven. Dat was ingewikkeld, dat van de Hitler Jugend bijvoorbeeld is lang in het vage gebleven. Toen ik puber was vroeg ik of ze lid was geweest. Dan zei ze dat iedereen daarbij zat en dat haar ouders daar helemaal niet voor waren. Wat ze precies zei was dus vaag maar ik nam dus maar aan dat dat niet het geval was. Ik denk onbewust om haar te beschermen.
Maar in het boek zie je een foto van haar met de blouse en sjaal van de Jungmädel, de meisjesafdeling. Ik liet hem zien en ze wist opeens weer waar die fotostudio was, in Oldenburg, waar we pas nog geweest waren. Zo kwam die herinnering opeens weer tot leven. Ik denk echt niet dat ze het bewust voor mij heeft verzwegen, ik heb het gewoon zo willen horen. Ik kreeg een reactie van iemand die zei dat dit paste in het internationale kader van trauma en zwijgen over deze zaken. Maar ik zie het niet als trauma…
PETER: Dat is wel de geaccepteerde taal geworden om erover te praten.
ANNALEEN: Ik heb het gevoel eerder als overdracht geïnterpreteerd, overdracht van de schaamte over de generaties. We hebben er niet over gezwegen, maar het had voor elk van ons wel een andere lading. Ik heb het verhaal van die overdracht in beeld willen brengen, hoe ik mezelf lang daarbuiten heb gehouden, terwijl ik er eigenlijk onderdeel ervan ben. Andere mensen herkenden dit verhaal direct. Toen de tentoonstelling openging had Caroline Krols van de Volkskrant een groot stuk geschreven. Direct al kwamen mensen met dat stuk onder de arm kijken. Al voordat die krant bij mij op de mat lag was er de eerste email van een oude meneer uit de VS die zich eindelijk gezien voelde.

PETER: Hoe belangrijk is het project voor jou en je moeder samen?
ANNALEEN: Mijn beide kinderen, haar kleinkinderen, zijn nu een kwart eeuw oud en terwijl mijn moeder nog leeft heb ik ze dit alles kunnen laten zien. Ik denk dat er heel veel opgeruimd is tussen ons beiden. Ik heb nooit zo ervaren dat ze me beschermde voor het verleden en vind het eigenlijk heel erg dat ik dat nu pas heb kunnen zien. Ik besloot haar naakt te fotograferen, het ging me niet specifiek om haar gezicht, om het portret, maar om het lichaam dat de geschiedenis in zich draagt. Zij vond dat goed, vanuit het idee dat we de schaamte voorbij zijn, letterlijk en figuurlijk. Daarom heb ik uiteindelijk mezelf ook naakt toegevoegd om uit te drukken dat we zijn samengekomen, ons voor elkaar hebben blootgegeven. Dat is misschien niet meteen voor iedereen duidelijk, maar het laat zien hoe het project ons heeft samengebracht.
PETER: Bouw je met je aanpak voort op je eerdere werk: je portretten, de beelden in de instellingen voor mensen die door de samenleving feitelijk aan de kant zijn gezet?
ANNALEEN: Ik denk wel dat de keuzes voor mijn onderwerpen uiteindelijk voortkomen uit hoe ik van kind af aan gezien heb hoe iemand door aannames is buitengesloten. Als je naar mijn werk kijkt dan zie je geen zonderlingen of psychiatrische patiënten. Het zijn gewoon studies van mensen. Ook van een man hier uit de buurt heb ik eigenlijk een existentiële studie gemaakt. Hij staat model voor mij, maar het gaat niet over die ene specifieke mens, maar over de wachtende mens.
PETER: Dat heb je vast onderbouwd met intensieve communicatie?
ANNALEEN: Ik begin niet met een vast idee, het is een gezamenlijk werk. Daarom noem ik het ‘studies’. Ik wil niet iets met klem betogen, je ziet het wel maar het is absoluut niet nadrukkelijk. Als kind heb ik ervaren hoe het harde oordeel mensen buiten kan sluiten. De ander labelen bleek al te makkelijk, maar ik wist dat mijn moeder dan wel Duits was, maar zeker geen mof.

PETER: Het is dus belangrijk voor je zulke harde oordelen niet te reproduceren?
ANNALEEN: Als ik mensen fotografeer dan werk ik met ze samen. Ze moeten weten dat als ze de volgende dag komen ik het werk van de dag ervoor laat zien. Dan kunnen ze zeggen wat ze ervan vinden. Ze hebben misschien een andere smaak dan ik, maar zijn dan in ieder geval op de hoogte van wat ik aan het doen ben. Het is dus niet van ‘ik schiet jou, ik ga weg en ik hang het in een museum of ergens’. Ik doe het altijd in overleg, met consent. Ik houd heel erg rekening met wie ik als fotograaf ben en de verhouding met je model of sitter is voor mij heel belangrijk, dat je daar heel zorgvuldig in bent.
PETER: Het is eigenlijk een enorme verantwoordelijkheid om iemand aan de buitenwereld te tonen, en het zo voor te stellen dat je de essentie van de persoon weergeeft.
ANNALEEN: Ik vind één portret van één iemand lastig, ik moet het vaak doen omdat ze maar één plek hebben voor een werk in opdracht, maar het liefst maak ik een studie. Ik laat mijn werk soms een jaar liggen, voor het naar buiten kan en van mij is geworden.
PETER: Is het project met je moeder een work in progress of is het nu afgerond?
ANNALEEN: Nee, dit is nu klaar, maar ik heb nog een compleet archief en misschien kan ik daar nog wat mee. Misschien dat ik dit werk ook in Duitsland tentoon wil stellen, want ik ben nieuwsgierig hoe dit daar zou landen. En als mijn boek herdrukt wordt, dan heb ik ook weer meer materiaal.
Ik vind één portret van één iemand lastig […] het liefst maak ik een studie.
PETER: En verder?
ANNALEEN: Op dit moment zit ik in een donkere schuur in Zundert, een artist in residence van het Van Goghhuis. BredaPhoto heeft mij daar een werkperiode aangeboden met als uitkomst een expositie in september-oktober. Het thema dit jaar is Consolation, troost. Het is bijzonder nu in korte tijd werk te gaan maken. Meestal heb ik meer tijd nodig voor het rijpen van mijn werk. Ik zie het dan ook als een onderzoek. Het moet allemaal nog gebeuren, maar ik wil misschien onderzoeken wat de fotograaf of de fotografie kan betekenen ten aanzien van troost. Ik ga een kleine donkere kamer bouwen en daar wat rommelen. Misschien dat ik de duisternis en de geborgenheid van de schuur gebruik als uitgangspunt. Dat daar alles gebeurt. Ik ga het zien.

Annaleen Louwes onderzocht jarenlang de schaamte rondom de Duitse afkomst van haar moeder, en uiteindelijk ook die van zichzelf. In haar fotoboek vertelt ze een persoonlijk verhaal over oorlog, familie, identiteit en het zwijgen dat generaties lang doorwerkt.
“Mijn moeder schaamde zich voor wat de Duitsers hadden gedaan, en ik schaamde me voor de Duitsheid van mijn moeder.”
Lees en bekijk het hele verhaal bij NRC
