Zonder Elsbeth Pijnappels zou FOTODOK niet zijn wat het vandaag is. Elsbeth heeft vanaf de oprichting in 2008 de baanbrekende educatieve programma’s van FOTODOK ontwikkeld en geleid. Ze heeft met generaties scholieren uit het basis-, voortgezet en mbo onderwijs gezocht naar de verhalende kracht van beelden. Haar werk heeft de educatieve, artistieke en sociale identiteit van FOTODOK mede vormgegeven en zo is ze een onmiskenbaar deel van het DNA van de organisatie geworden. In de zomer van 2024 hakte ze een knoop door en besloot haar ervaring en talent in een andere baan in te gaan zetten. Ze werd docent aan de HAN, de Hogeschool Arnhem Nijmegen. Toch laat ze FOTODOK niet helemaal achter: ze werkte haar opvolger Loes Coolen in en blijft beschikbaar voor adviezen aan het team. Ook begeleidt ze het door haar opgezette project ‘Taal en Beeld’ naar een afronding. Peter Romijn sprak met Elsbeth over haar inspiratie, over wat ze allemaal tot stand heeft gebracht en overdraagt.
Elsbeth, ik wil graag met je over jouw rol in FOTODOK praten, maar ben allereerst nieuwsgierig naar je nieuwe baan.
Ik ben nu opleidingsdocent Kunsten, dat wil zeggen dat ik beeldende vorming geef aan studenten van de Pabo zodat zij straks goede creatieve lessen kunnen geven aan hun klassen op de basisschool. Ik geef ook de heel specifieke vakdidactiek die daarbij hoort, die erop gericht is kinderen creatief te laten denken en werken. Het is belangrijk dat ze afstappen van het idee: hier is een voorbeeld, ga daar mee aan de slag. Leerlingen moeten kunnen onderzoeken, experimenteren met materialen en technieken.
Dan kan je vast je ervaring overdragen met werken met scholieren in een FOTODOK-programma als ‘Begrijpend Kijken’.
Wat de didactiek betreft zeker, maar behalve kunstbeschouwing en beeldgeletterdheid gaat het ook om veel meer: om media, materialen en technieken. Zo leren de studenten werken met houtskool en papier, schilderen met ecoline. Het gaat dus ook om het klassieke handwerk en zeker niet alleen om digitale technieken. Ik merk dat dat soms lastig voor ze is, want dan vinden ze zichzelf niet erg creatief. Ik probeer ze, net als bij FOTODOK, mee te geven dat het gaat om vaardigheden die je gewoon kunt oefenen en leren. Er wordt vaak aangenomen dat creativiteit een kwestie van talent is, en dat dat onveranderlijk is: je hebt het of je hebt het niet… Het is belangrijk mensen te helpen hun onzekerheden te overwinnen, uit te dagen en te laten merken dat ze echt iets kunnen. Dat is ook serieus te nemen. Als ze bij de les binnen komen is er soms een sfeer van ‘we gaan even knutselen’. Nee, we gaan niet knutselen, we gaan kunst maken!

Ben je zelf ook maker? Welke ontwikkeling heb je daarin doorgemaakt?
Ik heb de kunstacademie Artez gedaan. In die opleiding heb ik veel gemaakt, maar dat veranderde toen ik aan de Radboud Universiteit Algemene Cultuurwetenschappen ben gaan studeren. Aan de kunstacademie is mijn passie voor fotograferen ontstaan, aan de universiteit groeide mijn interesse voor kunstbeschouwing. Ik ben blijven fotograferen, zeker ook toen ik bij FOTODOK kwam. Maar mijn ding is vooral naar musea gaan, zorgvuldig kijken naar kunst en analyseren. Daar hielp mijn masteropleiding Cultureel Geheugen enorm bij. Ik had in mijn eigen docentenopleiding behalve fotograferen ook geëtst, gezeefdrukt, getekend et cetera, en ik vond het heerlijk om vervolgens in de theorieën van kunst en kunstanalyse te duiken. Tot dan toe had ik van alles geleerd over kunststromingen, geschiedenis en belangrijke kunstenaars, maar ik wilde meer van de wereld weten en waarom makers doen wat ze doen. Hoe kan je verbinden wat er in de kunst gebeurt met wat er in de wereld speelt? En toen ik daarmee aan de slag was wilde ik ook weer in de praktijk bezig zijn. Zo ging ik als stagiair educatieve programma’s ontwerpen bij de Kunsthal en daarna freelance voor het Fotomuseum in Rotterdam en het Rijksmuseum. Ook ging ik lesgeven bij de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag.
En toen zag je FOTODOK van de grond komen?
Ja, ik ben er nogal in het begin bij gekomen. Ik kwam in contact met Femke Lutgerink en Rob Hornstra, die in gesprek waren over de missie van wat FOTODOK zou moeten worden. Hun visie was mensen te leren kijken naar beelden om er een verhaal in te ontdekken en ze zo een spiegel over de samenleving voor te houden. Mijn inbreng was dat dat niet kon zonder educatie te organiseren, want dat gaat niet zomaar vanzelf. Zo kon ik met mijn educatieve en theoretische ervaring en opleiding inspelen op hun initiatief. Ik had me tijdens mijn universitaire studie steeds meer gericht op fotografie, documentair werk en videokunst. Dat paste dus naadloos.
Zo kon je het educatieve werk van de grond af vorm geven?
Het begon met het oorspronkelijke idee om met Utrechtse fotografen op zoek te gaan naar verhalen uit de verschillende wijken. Er was in Utrecht helemaal niets op het gebied van fotografie educatie voor scholen. We zijn begonnen met steun van het Utrechts Centrum voor de Kunst, deze steun heeft ons in het stedelijke cultuurnetwerk laten landen. We moesten verder ons eigen netwerk opbouwen, ook met scholen.
Met ‘Begrijpend Kijken’ heb je iets unieks van de grond gekregen.
Zeker in die tijd was het pionieren. Inmiddels hebben kinderen steeds vroeger telefoons waarmee ze fotograferen en zijn ze actief op sociale media. Dat was er indertijd nog nauwelijks of niet. Sindsdien heeft de fotografie een enorme vlucht genomen. Tegelijkertijd weten veel kinderen niet hoe een camera werkt. Als wij digitale compactcamera’s meenemen, dan moet je eerst uitleggen hoe die werken. Nu ze omringd worden door een alomvattende beeldcultuur, hebben ze andere ervaringen en verwachtingen van fotograferen. Ze weten dat je beelden met allerlei technische kunstjes naar je hand kunt zetten. Maar het basale werk, door een zoeker kijken, componeren, keuzes maken, dat leren wij ze, en dat vinden ze vaak heel leuk. Zo creëer je dan meer besef van wat fotografie inhoudt.
Wat doe je in de educatie eigenlijk met de overdaad aan beelden?
Daartoe hebben we ons wel te verhouden. Het is belangrijk dat de leerlingen weten hoe die beelden tot stand komen. Dat het niet vanzelfsprekend hoeft te zijn dat je even met je mobiel klikt en dat beeld direct op sociale media plaatst. Ik wil overbrengen dat er een idee achter kan zitten. Zo heb ik bijvoorbeeld jaren terug aan groep 5 lesgegeven over selfies maken, op een manier die voor de kinderen nieuw was. We hebben met een selfiestick gewerkt en ik heb ze uitgelegd dat je ook selfies kunt maken zonder jezelf herkenbaar in beeld te brengen. Dat vonden ze heel cool.

Hoe landde je concept bij de leerlingen?
We hebben lang een FOTODOK-scholieren award georganiseerd, dan hingen er series in de scholen rond thema’s als ‘dit ben ik’. Basisschool basisschoolleerlingen waren heel trots op hun werk en wilden het graag laten zien. Maar in de afgelopen jaren zien we dat scholieren van 14 jaar en ouder steeds terughoudender zijn geworden om hun werk in school te laten zien. Ze willen controle hebben over wat ze laten zien en wat er van hen wordt gezien. Dat heeft ook te maken met hoe we naar privacy zijn gaan kijken. Soms zijn er voor kinderen dwingende redenen om niet zichtbaar in beeld te zijn. Het is mooi om ze te leren hoe je op een creatieve manier de controle kunt houden over wat je over jezelf wilt laten zien. Want je hebt natuurlijk macht over het portret, maar je geeft ook iets aan de kijkers.

Er zijn meer vaardigheden die je wilt stimuleren?
We hebben altijd op de lijn gezeten dat we documentair te werk willen gaan: met meerdere foto’s een verhaal maken. Dan introduceer je een selectieproces waarbij de keuzes beredeneerd worden. Waarom je bijvoorbeeld een foto kunt opnemen waarvan je in eerste instantie denkt: die is onscherp, mislukt. Zo’n beeld kan heel goed een sfeer scheppen en daarmee bijdragen aan de vertelling. Het gaat niet in de eerste plaats om esthetisch mooie foto’s, we willen dat er een doel achter zit. Ook dat is een onderdeel van documentaire fotografie: wat wil ik vertellen met het middel dat ik heb?
Zo liggen begrijpend kijken en begrijpend laten zien in elkaars verlengde?
Het is nog steeds ook aan de kijkers wat ze eruit halen en wat niet. Wat we in onze rondleidingen en projecten met kinderen in de tentoonstellingen hebben gedaan is die verschillende mogelijke zienswijzen onder de aandacht brengen. Wat zien toeschouwers, hoe interpreteren ze, vanuit welke referentiekaders en hoe komen ze dat van elkaar te weten? Dat proces vind ik veel interessanter dan ze op een traditionele manier te onderwijzen over wie de maker is en wat die met zijn foto’s wil zeggen.
Zijn er onderwerpen waar kinderen en jongeren erg mee bezig zijn? Het valt me op dat er in de talentprogramma’s veel gaande is rond de eigen identiteit.
Gekoppeld aan de tentoonstelling There’s Something About My Family maakten we een educatieprogramma rond het thema ‘familieverhalen’. Dat thema heeft lang gelopen – en daar zit natuurlijk het aspect identiteit aan vast. We daagden deelnemers om familieverhalen dichtbij te onderzoeken; de bijzondere oom of over de bijzondere band met je zusje, of over tradities en gebruiken in hun gezin. Hiermee wilden we hen laten ervaren dat mooie verhalen ook om de hoek te vinden zijn: je buurjongetje, een winkeltje om de hoek met een eigenaar met een verhaal.
Jij bent in 2012 naar Irak geweest om daar met kinderen te werken.
Ik was een maand in Sulemaniya, in Koerdisch Irak, en heb daar een serie workshops gegeven aan Koerdische kinderen die in een moeilijke situatie opgroeiden. Ik had allemaal camera’s verzameld en meegenomen naar een inloophuis voor kinderen die niet naar school konden. Vaak moesten ze werken om bij te dragen aan het inkomen van hun familie, maar als ze vrij hadden konden ze er spelletjes komen doen of gewoon even bij elkaar zijn. In de workshops kregen ze eerst les en daarna de camera’s mee en dan kwamen ze terug met foto’s, van de bazaar of van thuis. Het was zo spannend te kijken met de ogen van die kinderen, te zien wat ze allemaal te vertellen hebben. Het waren beelden die je als buitenstaander niet ziet, en vaak ook echt goede beelden. Als slot maakten we een tentoonstelling en voor alle deelnemers hebben we een boek gemaakt. Ze kwamen met familie en vrienden in hun Koerdische feestkleding naar de tentoonstelling toe, dan denk je: dit is waar, dit is bijzonder. En voor mezelf was het in zekere zin ook een reset.
Als ik naar FOTODOK in de breedte kijk dan vraag ik me af of je interactie ziet tussen jouw werk met scholieren en wat er in de talentprogramma’s gebeurt?
Het is belangrijk te zien dat ook in de talentprogramma’s jonge mensen in een zoekproces zitten: “wat is nu eigenlijk mijn verhaal en hoe pak ik het aan om dat in beeld te brengen?”. En wat doe je als dat niet lukt – want ook daar lopen ze tegenaan. Wij hebben allemaal zulke ervaringen gehad en als je dat deelt help je ze. Uiteindelijk is het belangrijkste dat je ze leert zichzelf te bevragen en te zoeken naar creatieve ideeën.

Nog even terug naar de geschiedenis: heb je het gevoel dat FOTODOK in de loop van de tijd veranderd is? Of is wat in 2008 is bedacht, nog steeds bepalend?
Ik zie wel verschillen, voorheen waren onze onderwerpen vaak dichter bij huis of net wat concreter: verhalen uit Utrecht, de opkomst van populisme, privacy of de oorlog in Oekraïne. We zijn met sommige activiteiten minder laagdrempelig geworden. Vanuit mijn ervaring zie ik dat sommige thema’s van nu gewoon vragen om extra kennis van achtergronden en kunsttheorie. Daardoor zijn sommige tentoonstellingen en presentaties misschien minder toegankelijk. Ik zou graag vasthouden aan het beginsel van helderheid in alles wat we doen.
Heeft dat te maken met de internationale netwerken waarin FOTODOK zich steeds meer profileert en waardoor onderwerpen en benaderingen universeler en misschien ook wat abstracter worden?
Het is logisch en goed dat onze ambitie breder wordt, maar ik zou er tegelijk voor willen pleiten om naast de internationale verbindingen te proberen een breed scala aan bezoekers te blijven trekken.
Van het verleden naar de toekomst: wat wil je FOTODOK meegeven?
Als team zeiden we weleens dat we eigenlijk allemaal kleine wereldverbeteraars zijn. Met alle politieke spanningen van het moment is het aan ons om met verhalen te komen om te laten zien dat het ook anders kan, of het nu gaat om migratie, het klimaat, of cultuur. Het is heel belangrijk vast te houden aan de passie voor verrassende verhalen over actuele onderwerpen. Daarnaast moet je goed maatschappelijk verankerd zijn en bijvoorbeeld zorgen dat kunstonderwijs jongeren geeft wat nodig is om in termen van alternatieven te denken en te werken.
Het is in elk geval heel fijn dat je niet uit beeld bent bij FOTODOK!
Ik wil er graag aan bijdragen dat we mensen blijven inspireren. Ik heb het altijd heel geslaagd gevonden als een kind in een workshop, een bezoeker van een tentoonstelling of deelnemers aan onze programma’s naar buiten komen met een nieuw inzicht, dat ze verrijkt aan de slag kunnen.