Lisanne van Happen is sinds 2011 aan FOTODOK verbonden. Ze begon als stagiaire en groeide uit tot hoofd Talentontwikkeling. Zo werd ze steunpilaar en internationaal ambassadeur van de instelling. Lisanne heeft nu besloten FOTODOK te gaan verlaten om nieuwe uitzichten te vinden. Peter Romijn sprak met haar over haar rol: hoe heeft ze het werk met opkomende fotografen vormgegeven, wat bracht ze mee, wat laat ze achter?

‘Kleefstagiaire’
Lisanne, het team moet erg wennen aan het idee van je vertrek. Laten we bij het begin beginnen: hoe ben je bij FOTODOK terecht gekomen?
Ik ben de eerste echte ‘kleefstagiaire’ geweest. Ik studeerde fotografie aan St.Joost in Breda, maar zag het niet zitten om als autonoom maker in mijn eentje op mijn zolderkamer te werken. Samen dingen doen was mijn ideaal. Normaal moest je jezelf aan het eind van de opleiding positioneren met een serie foto’s, maar ik zocht wat anders: een rol als curator, initiator of producent. Mijn coördinator op de Academie, Karin Krijgsman, wist van een jonge organisatie, FOTODOK, en zei dat ik daar eens moest gaan kijken. Ik sprak met de toenmalige directeur, Femke Lutgerink, en was meteen verkocht. In mijn stage heb ik meegewerkt aan tentoonstellingen en andere evenementen, veel vergaderd met fotografen, super inspirerend allemaal.
Het collectief
Je had toch echt wel wat met fotografie, anders was je die studie niet begonnen…?
Ja, dat wel… maar ik had ook wat anders kunnen kiezen: film, grafisch ontwerp, sociaal design, illustratie, als het maar een sociale component in zich had. Maar de snelheid van het medium fotografie trok me erg aan. Je kunt er direct ideeën mee visualiseren, zeker als het om de sociale context gaat. Ik vind ook de democratisering van het medium interessant: terwijl iedereen fotografeert is het een belangrijke vraag hoe je je als professional kunt onderscheiden. Maar ik wilde niet gaan voor het najagen van een eigen carrière als maker. Ik koos ervoor te onderzoeken hoe de maker zich verhoudt tot het culturele veld en vond het direct al interessant om daarin een ondersteunende, adviserende, faciliterende rol te kunnen spelen. Ik heb daarom een extra jaar genomen om af te studeren op de functie van collectieven in de kunstsector. De vraag was hoe individuele makers zich tot hun collectief verhouden: werken ze heel direct samen aan projecten of gebruiken ze het collectief voor reflectie en feedback? Door de vrijheid die de Academie bood kon ik mijn eigen afstudeertraject inrichten. Zo heb ik hele groepsprocessen gedocumenteerd door interviews, video’s en foto’s. Zelf heb ik geen enkele foto gemaakt, de beelden heb ik aan de mensen in het collectief overgelaten, want ik vond dat zij dat beter konden.
“Ik denk dat een heleboel goede makers afvallen omdat ze onvoldoende support krijgen. Er is een kloof tussen de opleiding en het werkveld.”
Over de sloot
Jouw naam is verbonden met talentontwikkelingsprogramma’s als Lighthouse. Hoe heb je de sociale kant ontwikkeld?
Van jongs af aan ben ik altijd actief in het verenigingsleven geweest, mensen in beweging gebracht, dingen georganiseerd. Toen ik bij FOTODOK begon was er geen talentontwikkelingsprogramma, er waren wel tentoonstellingen en educatieve programma’s waarin veel nieuwe fotografen meedraaiden. Toen heeft Femke Rotteveel me de ruimte gegeven om dit te structureren, dat werd Lighthouse, daarna werden we gevraagd als partner in het internationale programma Blurring the Lines, en nu is er ook Take Off, Embassy, FUTURES en Lighthouse Specials. De Stichting Dialoog heeft vijf jaar lang een stipendium voor jonge makers beschikbaar gesteld om een onderzoek te doen voor een documentaire over actuele sociale ontwikkelingen. He programma Lighthouse is echt begonnen om jonge makers te verbinden die hun weg moesten vinden en nog niet in aanmerking kwamen voor subsidieprogramma’s. Ik denk dat een heleboel goede makers afvallen omdat ze onvoldoende support krijgen. Er is een kloof tussen de opleiding en het werkveld. Weet maar eens welke fondsen er zijn, waar je kunt exposeren of welke samenwerkingen relevant voor je zijn. Je kunt het in je opleiding allemaal leren, maar op het moment dat je een project gaat opzetten dan kun je niet terug naar de academie om het nog eens na te vragen. Voor deze groep is de sloot vaak te breed, de brug die dit soort programma’s biedt is essentieel.
Uitdagen en steunen
Als ik je in actie zie bij Lighthouse dan ben je makers heel intensief aan het adviseren, aanmoedigen, uitdagen.
Ja, ik wil ze uitdagen om grenzen op te zoeken, te experimenteren, heel erg te kijken waar hun eigen individuele behoeften liggen, en ze vandaaruit te steunen. Dat is nodig, want ik weet hoe nieuwe makers de gevestigde wereld van de fotografie, ook de documentaire fotografie, als intimiderend kunnen ervaren. Aan het begin van hun artistieke carrière zijn ze in een kwetsbare positie en dragen allerlei verwachtingen met zich mee over hoe het moet. Ze krijgen geaccepteerde ideeën mee vanuit kunstacademies en het werkveld. In de maatschappij wordt het beeld van de ploeterende kunstenaar geïdealiseerd. Ik vind dat problematische denkbeelden en wil daarin lucht scheppen, waardoor ze zich wat meer in de creatieve wereld thuis kunnen voelen, ook als ze twee dagen in de week bij de AH werken. Het belangrijkste is dat ze een vorm vinden waarin ze zich wel kunnen voelen en hun nieuwsgierigheid kunnen volgen. Ik wil dat ze zien hoe dat kan door er ander werk naast te doen of hun autonome praktijk te combineren met commerciële opdrachten.
“In de maatschappij wordt het beeld van de ploeterende kunstenaar geïdealiseerd.”
Identiteiten
Voor veel nieuwe makers vallen hun persoonlijke en de professionele identiteiten samen. Wat doe jij daarmee?
Het gaat om zaken die inherent zijn aan kunstenaarschap, dat je jezelf blijft uitvinden, en tegelijkertijd probeert elke keer op een andere manier naar jezelf en naar de wereld te kijken. Dat is niet eenvoudig, het vraagt veel van de mensen en het is heel belangrijk dat daar ruimte voor is. Ze hebben te maken met mentale uitdagingen, waarvoor ik niet alleen ruimte wil bieden maar ook een veilige omgeving. Ze moeten weten dat het zoeken okay is, daarom gaat Lighthouse niet over uitblinken, maar vooral om het scheppen van een werkpraktijk die ruimte biedt aan een gezond leven en alle worstelingen die daarmee samenhangen. Dat is het belangrijkste.

Vertrouwen
Zo bouw je dus voort op wat je tijdens je opleiding en stage hebt gedaan. Hoe heb je dat ingezet voor je eigen gidsrol?
De beginnende makers zijn allemaal op zoek naar wat ze willen. Ze gaan door de eerste fase van een bestaan als zelfstandig beeldmaker. Daardoor missen ze de structuur en feedback van een community en hebben ze tegelijkertijd veel ruimte en mogelijkheden, wat ook weer doodeng kan zijn. Dus moeten ze hun kunstenaarsambitie zelf vormgeven en uitvogelen hoe dat moet. Je kunt ze alles wel uitleggen, maar dat werkt niet! Nu pas ervaren ze waar de ruimte zit en daar moeten ze naar handelen. En ik zie mijn rol als die van gids, iemand die met ze mee wandelt, ondersteunt en een platform en community kan bieden. Voordat ik aan de academie begon heb ik een vooropleiding sociaal-cultureel werk gedaan en stagegelopen op een school voor fotografie in Zuid-Afrika. Daar waren de middelen en ruimte voor fotografie niet als vanzelfsprekend aanwezig, de urgentie om werk te maken en het gevoel van saamhorigheid was des te groter. Ik merk dat met de makers in de talentontwikkelingsprogramma’s veel waardevolle relaties blijven bestaan. Ik vind het fijn als ze na een paar jaar opnieuw bij me aankloppen om advies als ze ergens tegen aanlopen, zoals een fondsenaanvraag of oneerlijke betaling. FOTODOK wil een plek zijn waar vertrouwen ontstaat en wordt gegeven. Dat geeft hen weer vertrouwen dat hun werk iets waard is, dat er mensen op zitten te wachten, dat zij als makers gezien worden. Daar is nog heel veel ruimte open.
Mee ontwikkelen
Je bent heel erg van aanpakken, maar ik zie je ook heel goed waarnemen. Je moet het groepsproces overzien en tegelijkertijd opmerken wat er in het hoofd van de individu gebeurt. Het lijkt me een hele klus om al die dimensies te overzien.
Ja, dat is de uitdaging: aan de ene kant strategisch kijken naar wat er ontbreekt in het werkveld. Je staat voor vragen als hoe kan je meer diversiteit creëren, meer veiligheid bieden en inzicht geven in het werkveld en de fondsen. Het allerleukste van mijn functie is dat ik net zoveel van hen leer als zij van mij, die wederkerigheid is waardevol. Ik ontwikkel met hen mee. Als ik met ze op pad ben, dan hoor ik hun twijfels en onzekerheden. Dat geeft mij waardevolle informatie en daarop stel ik programma’s in. Er is dus niet één programma meer bij FOTODOK dat nog is zoals het begon. Lighthouse begon met een flinke zak geld voor wie als winnaar werd gekozen, maar nu heeft het programma geen winnaar meer, het geld is verdeeld onder alle deelnemers zodat de drempel om mee te doen verlaagd wordt. Het gaat niet meer over winnen, maar over een community bouwen. Lighthouse wordt een community omdat er mensen bij FOTODOK werken die heel goed luisteren naar wat er gezegd wordt en daar daadwerkelijk iets me doen.
“‘Talent’ vind ik eigenlijk een problematisch begrip, het suggereert dat het een gegeven zou zijn, of je wel of geen talent hebt.”
Talent?
Zijn er groepen die je mist in je talent programma’s?
Autodidacten, mensen die langs een andere weg in het vak zijn gekomen, weten ons vaak nog niet te vinden. Sommigen weten niet eens dat ze autodidact zijn omdat die term ze niks zegt. We moeten dus kritisch kijken hoe we de mogelijkheden voor hen zichtbaar maken. Dat kan via hun connecties en netwerken. FOTODOK moet zich daarom ook buiten de dominante netwerken van de fotografie profileren. Voor de talentontwikkeling is het erg belangrijk om de makers op voet van gelijkheid te verbinden met maatschappelijke organisaties die iets willen bereiken. Voor mij is het erg belangrijk dat de makers in zulke samenwerking hun motivatie en inspiratie kunnen vormgeven. ‘Talent’ vind ik eigenlijk een problematisch begrip, het suggereert dat het een gegeven zou zijn, of je wel of geen talent hebt. Het zegt niets over motivatie en doorzettingsvermogen, facetten die naar mijn mening veel relevanter zijn als nieuwe beeldmaker. Je kijkt natuurlijk naar de kwaliteit van het werk, maar je vraagt je ook af of ze bereiken wat ze willen, of het doel dat op papier staat ook werkelijk in beelden is terug te zien. Daarom is een motivatie schrijven voor Lighthouse heel belangrijk. Al is talentontwikkeling een logisch begrip, alles draait voor mij om ontwikkeling. Ik zou het woord ‘talent’ dus liefst willen laten vallen.
Aanpakken
FOTODOK is een organisatie waarin een relatief klein team een heel breed repertoire aan activiteiten inzet. Hoe passen de talentprogramma’s daarin? Is er wel genoeg ruimte en feedback?
Het is geweldig dat de organisatie zo wendbaar is en we zo snel iets kunnen besluiten. Een voorbeeld: op 2 maart stond in ons kantoor een meeting over seksisme en kapitalisme gepland. De wanden waren net weer wit, een paar dagen tevoren belde Femke Rotteveel om te overleggen wat ermee te doen. In Lighthouse draait een maker mee, Ilse Weeteling, die werk over vrouwelijkheid en moederschap maakt dat er heel mooi bij zou passen. Diezelfde dag nog hingen we het werk samen op. We zijn van aanpakken, een platte en wendbare organisatie, waarin heel snel kan worden samengewerkt zonder je te verliezen in gedoe over taken en competenties. Dat geldt ook voor de stagiaires, ze draaien volwaardig mee en er wordt naar hen geluisterd. Ook binnen de Lighthouse programma’s streven we naar zo min mogelijk hiërarchie, ons bewust zijnde van de machtspositie die natuurlijk altijd aanwezig is. Dit zijn werk- en omgangsvormen die het heel erg waard zijn om te behouden.
“Voor mij is kunst altijd een middel geweest om met elkaar in dialoog te zijn en verbinding te maken – dat is het allerbelangrijkste om vast te houden.”
Toekomst FOTODOK
Hoe zie jij de toekomst van FOTODOK, waar moeten we ruimte maken voor verdere ontwikkeling?
In de eerste plaats hebben we een ruimere huisvesting nodig, op een prominente plek in de stad. Dan kunnen we onze ambities veel beter vormgeven. We moeten eigenlijk het hele jaar door kunnen programmeren, tentoonstellingen maken, schoolklassen ontvangen, avonden organiseren. Dan wordt samenwerking met anderen ook makkelijker en kunnen alle activiteiten ook qua niveau uitgroeien. Er gebeurt al zoveel: samenwerking met het Nederlands Filmfestival, de Vrijheidslezingen, het Centraal Museum, maar ook met buitenlandse partners, zoals Futures, gepland in 2025. Maar we hebben daarvoor echt meer ruimte nodig. En als we via de talentontwikkelingsprogramma’s een community willen creëren dan hebben we ook een huiskamer nodig die permanent toegankelijk is. Dan kunnen we een breed verhalenhuis worden. Daarin zal het ook niet meer om documentairefotografie op zichzelf draaien, maar om veel bredere vormen van beelden/verhalen: film, installatie, beeldende kunst, multimediale werken. Een tweede ontwikkeling, waaraan we nu al werken, is met laagdrempelige educatieve projecten de regio intrekken, zoals we nu doen in Brabant, in Soerendonk. In de toekomst willen we dat uitbreiden om mensen te kunnen verbinden.
Dialoog en verbinding
Wat laat je bij FOTODOK achter en wat neem je mee voor je volgende stappen?
Lisanne: Wat ik steeds heel erg heb willen stimuleren is dat mensen die het nodig hebben door FOTODOK ruimte krijgen om zichzelf te ontwikkelen. De verbindingen die we kunnen leggen zijn zo belangrijk, want ze geven de makers niet alleen inzicht maar vooral het vertrouwen dat ze nodig hebben. Dat vraagt expertise op het gebied van netwerken, subsidies, faciliteiten en die moet FOTODOK blijven ontwikkelen en delen. Voor mij is kunst altijd een middel geweest om met elkaar in dialoog te zijn en verbinding te maken – dat is het allerbelangrijkste om vast te houden. Er is meer fotografie dan ooit in de wereld, maar voor mij draait het om dat geven van betekenis aan wat we in beeld waarnemen. Zoals John Fleetwood zei: er zijn ‘image makers’ en er zijn ‘meaning makers’. Wij zijn er voor die laatsten en daaraan zou ik in alle opzichten willen vasthouden.